Deel 8b – De vier seizoenen

Deel 8b – De vier seizoenen – Nut en noodzaak

Een overzicht van de serie;

Waarom neemt het verschil tussen dag en nacht toe
Brightening vooraf gegaan door dimming
Dimming en brightening getest met het BEST databestand
Deel 1 – De opwarming van de Aarde
Deel 2 – De toename van CO2
Deel 3 – Het verband tussen CO2 en de opwarming van de Aarde
Deel 4a – Broeikaseffect ja of nee
Deel 4b – De opwarming van de Aarde verklaard
Deel 5 – Een 5 zone model van de aarde
Deel 6 – Modelvorming en dataverzameling
Deel 7 – De simulaties en de verklaring van de opwarming
Deel 8a – De vier seizoenen – Model en dataverzameling

Inleiding

Deel 8b is het tweede onderdeel van deel 8 – De vier seizoenen. Het zou veel te veel van het goede zijn geweest om alles in 1 deel te willen afhandelen. Vandaar de opsplitsing van deel 8 in twee onderdelen. We beginnen met het corrigeren van wat storende foutjes die er in geslopen zijn door het veelvuldig toepassen van copy en past in de primaire databestand. Vervolgens geven we wat algemene informatie over de vier seizoenen. Dan gaan we de vier seizoenen ieder voor zich bekijken. We sluiten dit af met een samenvatting. We kijken wat de waarde is van de relevante variabelen voor het gemiddelde berekend over de vier seizoenen en vergelijken dit met het jaargemiddelde en sluiten het geheel af met de conclusie dat het niet alleen heel interessant is om de seizoenen te onderzoeken maar dat dit gewoon noodzakelijk is als je begint met opsplitsen van het globale model in breedtegraden. Het een is niet mogelijk zonder het ander, anders krijg je gewoon een verkeerd beeld van het geheel. Het zal nodig zijn om de berekeningen voor zowel deel 6 als wel deel 7 over te doen. Daarbij is het mogelijk dat ook de conclusies over moeten. Het is niet anders. Zo gaat dit met onderzoek. We sluiten het geheel af met een literatuurlijst.

Enige correcties

Voor we met Deel 8b kunnen beginnen dienen er enkele kleine maar storende fouten te worden gecorrigeerd in de primaire databestand voor deel 8 de 4 seizoenen. In dit bestand wordt berekent per dag de hoeveelheid zonne-energie globaal, bepaald de declinatie en berekent de lengte van de dag uit het tijdstip van zonsopkomst en zonsondergang. Hier zijn wat foutjes ingeslopen en door het veelvuldig toepassen van copy en past zijn ze over de hele tabel verspreid geraakt. Dit dient als eerste gecorrigeerd te worden. Ook in de wetenschap geldt het principe dat wat niet weet ook niet deert. Zolang je geen weet hebt van de aanwezigheid van deze fouten storen ze niet in het minste. Je gaat uit van het principe dat de meeste fouten uiteindelijk wel tegen elkaar weg zullen vallen. Op het moment dat je de fouten vaststelt dien je ze uiteraard te corrigeren. Via copy en past is dat niet eens zo heel veel werk. Voor de conclusies hoeft het niet zo heel veel uit te maken. De primaire tabel wordt immers alleen gebruikt in deel 8a – de vier seizoenen. Uit de uitkomsten per dag worden de gemiddelden per seizoen bepaald. Het levert een correctie op voor tabel 2 – Globale gegevens voor de 4 seizoenen. De correcties bleken alleen nodig voor de herfst. De overige seizoenen en het jaargemiddelde waren wel juist weergegeven. Na de correcties kunnen we verder met de vier seizoenen.


De vier seizoenen

In de kalender die door ons in Europa wordt gebruikt en waarvan we vanzelfsprekend aan nemen dat die door iedereen in de wereld als de enige juiste wordt verondersteld, wordt het jaar opgedeeld in vier seizoenen. Deze seizoenen zijn in volgorde van het jaar de winter, de lente, de zomer en de herfst. Dit is uiteraard alleen waar voor de gematigde gebieden en het poolgebied van het noordelijk halfrond. In de meteorologie heeft men een iets andere kalender maar ook deze gaat ervan uit dat onze meteorologische kalender de enig juiste manier is om het jaar in te delen inclusief de vier genoemde seizoenen. Eigenlijk is dit best wel een beetje arrogant om dit zomaar aan te nemen. Het geeft blijk van een enigszins arrogant Westers standpunt dat wij de meest verlichte en meest beschaafde deel van de wereld zijn en onze opvattingen de enige juiste zijn ook al weten we dat dit voor de klimaatwetenschappen beslist niet waar is. Als het bij ons winter is dan is het in de zuidelijke gematigde gebieden en de zuidpool namelijk zomer. Maar je dient je nu eenmaal te houden aan gemaakte afspraken om spraakverwarring te voorkomen. Je kunt nu eenmaal geen debat houden zonder van te voren afspraken te maken over begrippen en woorden. De volgorde van de seizoenen is eerst de winter, dan de lente dan de zomer en we sluiten af met de herfst. We gebruiken daarbij de meteorologische definities van de seizoenen. Voor ieder seizoen geven we 4 dingen weer. Een tabel die het seizoensgemiddelde weergeeft van de relevante variabelen voor het seizoen. De temperaturen opgesplitst voor de breedtegraden voor het seizoen vergeleken met het jaargemiddelde. Daarbij dien men te te bedenken dat het jaargemiddelde eigenlijk alleen waar is voor de beide equinoxen en het maar afwachten is of het ook klopt voor de overige 363 dagen. Verder vergelijken we de hoeveelheid zonne-energie opgesplitst naar de breedtegraden met het jaargemiddelde. Ook kijken we hoe de hoeveelheid zonne-energie veranderd als we corrigeren voor het verschil in daglengte. Alleen voor de beide equinoxen geldt dat voor alle breedtegraden de dagen overal even lang zijn. De overige 363 dagen is dit beslist niet het geval. Verder vergelijken we het energietransport van breedtegraden met een overschot met die met een tekort aan energie. We hebben in deel 6 al gezien dat de temperatuur uitgesplitst naar de breedtegraad bepaald wordt door zowel de hoeveelheid zonne-energie en door de herverdeling van de tropen die een overschot hebben naar de poolgebieden die een tekort aan energie hebben om de gemiddelde temperatuur daar te kunnen verklaren. Zonder deze herverdeling van zonne-energie van gebieden met een hogere temperatuur naar gebieden met een lagere temperatuur zou de Aarde een stuk kouder zijn. Het is een algemeen principe dat als energie van een gebied met een hogere temperatuur verplaatst wordt naar een gebied met een lagere temperatuur de gemiddelde temperatuur globaal zal stijgen. Dat hebben we in eerder onderzoek vastgesteld en heeft te maken dat het verband tussen energie en temperatuur niet lineair is.
We gaan nu over tot de vier seizoenen en zoals gezegd beginnen we met de winter.

De Winter

Voor het noordelijk halfrond geldt dat in de winter de zon een stuk lager staat en dat de dagen een stuk korter zijn. Beide effecten zorgen er voor dat het noordelijk halfrond maar weinig zonne-energie krijgt.
Het zuidelijk halfrond krijgt juist flink wat extra zonne-energie. Immers daar is het dan zomer en staat de zon een stuk hoger en duren de dagen een stuk langer. Deze effecten zijn vooral goed zichtbaar voor de hogere breedtegraden. Dit komt in de tabel duidelijk naar voren.

Tabel I – gemiddelde waarden voor de relevante variabelen voor de winter

De twee hoogste breedtegraden van het noordelijk halfrond krijgen helemaal geen zonne-energie tijdens de winter. De zon komt niet boven de horizon uit. Uit de formule van Stefan-Boltzmann volgt dan een temperatuur van 0 Kelvin. Dat is het absolute nulpunt en dat is de laagste temperatuur die maar mogelijk is. Dit is de waarde die bereikt wordt in een evenwichtssituatie. Op de maan waar geen enkele vorm van energietransport mogelijk is daalt de temperatuur tijdens de poolwinter tot zo’n 50 K. Het lijkt er op dat de waarden voor deze breedtegraden dus iets te laag zijn. Blijkbaar is er altijd wel ergens nog een klein restje energie dat overblijft tijdens de poolwinter. Hier schiet het model iets te ver door. Toch laten we dit resultaat gewoon staan. Het is niet zinvol om alleen voor deze breedtegraden een afwijkende berekening door te voeren. Een mogelijke bron van energie kan zijn dat er energie vrij komt door het bevriezen van water. Er is energie nodig om ijs te doen smelten dus het omgekeerde zal ook waar zijn. Maar of dit beetje energie zelfs bij benadering in de buurt komt wat nodig is om de veel hogere temperatuur te verklaren voor de poolwinter weet ik niet. Door de declinatie van circa 20° staat de zon het hoogst op de breedtegraad van 20° ZB. Maar na de correctie voor de extra lange dagen voor het zuidpoolgebied is het de 70° ZB die de meeste zonne-energie krijgt. Dat is een enorm verschil met de situatie tijdens de equinoxen. Met als gevolg dat de berekende temperaturen voor het zuidpoolgebied behoorlijk hoog zijn. In feite en stuk hoger dan de gemeten waarden. Antarctica is ook in de poolzomer maar een koud werelddeel. Het ligt door de dikke ijskap een stuk hoger en daardoor is het ook een stuk kouder dan je op grond van de berekening zou verwachten.
Uit de tabel blijkt dat de herverdeling van zonne-energie heel belangrijk is. Als dit net als op de Maan niet mogelijk zou zijn, was de gemiddelde temperatuur op de Aarde een stuk kouder. In het volgende figuur is te zien hoe de temperaturen in de winter verschillen van het jaar gemiddelde;

Figuur 1 – vergelijking van de temperatuur tussen de winter en het jaargemiddelde

De temperatuur verschillen voor het jaargemiddelde en de winter zijn vooral heel groot voor de hogere breedtegraden en dan vooral voor de poolgebieden (de gebieden buiten de blauwe lijnen). In de winter (het noordelijk halfrond) is de temperatuur uiteraard veel lager en in de zomer (het zuidelijk halfrond) veel hoger. Voor de tropen (het gebied tussen de rode lijnen) en de subtropen is er geen groot verschil te zien. Dat hangt uiteraard samen met grote verschillen in zonne-energie voor de hogere breedtegraden zoals het volgende figuur laat zien;

Figuur 2 – Vergelijking van de zonne-energie tussen winter en het jaargemiddelde

Het verschil in zonne-energie is al groot door de declinatie, de zon staat in de winter veel lager in het noordelijk halfrond, maar dit effect wordt nog eens aanzienlijk vergroot doordat de dagen in de winter veel korter duren. Het noordelijk halfrond moet het met veel minder zonne-energie doen terwijl het zuidelijk halfrond juist veel meer krijgt. Het zuidelijk halfrond krijgt zelfs zoveel zonne-energie dat het niet in staat is om alles om te zetten in hogere temperaturen. Het overschot wordt geëxporteerd naar het noordelijk halfrond dat juist veel te kort komt in de winter;

Figuur 3 – vergelijking energietransport van de winter met het jaargemiddelde

Voor het jaar gemiddelde gold dat overschotten aan energie van de tropen naar de poolgebieden werden doorgegeven. Maar voor de winter geldt dat overschotten van het zuidelijk halfrond door geschoven worden naar het noordelijk halfrond. De verschillen in temperatuur tussen het noordelijk en het zuidelijk halfrond zouden extreem groot zijn als dit energie transport niet zou kunnen plaatsvinden. De gemiddelde temperatuur van de Aarde zou dan een stuk lager liggen dan daadwerkelijk het geval is. Opgesplitst naar de seizoenen krijg je voor de winter duidelijk een ander en meer extreem beeld van de verdeling van de zonne-energie en herverdeling ervan over de breedtegraden dan dat je op grond van het jaargemiddelde zou verwachten.
Nu de winter te hebben behandeld is het tijd om een blik te werpen op de lente;

De Lente

Ook voor de lente hebben we een tabel en drie grafieken die het verschil laten zien tussen de lente en het jaargemiddelde. Als eerste hebben we de tabel met de voor de lente relevante variabelen;

Tabel II – gemiddelde waarden voor de relevante variabelen voor de lente

De tabel geeft de gemiddelde waarden aan voor voor de relevante variabelen aan voor de meteorologische lente. De verschillen zijn voor de lente minder extreem dan voor de winter het geval is. Toch blijkt duidelijk dat de lente wel degelijk afwijkt van het jaargemiddelde alleen minder extreem omdat de declinatie slechts de helft is van die van de winter.

Figuur 4 – vergelijking van de temperatuur tussen de lente en het jaargemiddelde

Er is wat temperaturen betreft weinig verschil tussen het jaargemiddelde en het gemiddelde voor de lente. Alleen voor het zuidpoolgebied vinden we een verschil. Het is kouder dan op grond van de hoeveelheid zonne-energie te verwachten zou zijn. Maar dat zal met de hoogte van de ijskap van Antarctica te doen kunnen hebben. Deze is enkele duizenden meters dik en maakt het oppervlakte dus een stuk hoger dan zonder ijskap het geval zou zijn. En hoe hoger een gebied is hoe kouder het zal zijn.

Figuur 5 – Vergelijking van de zonne-energie tussen lente en het jaargemiddelde

Voor de lente is er wat meer zonne-energie voor het noordelijk halfrond. Dit komt door het effect van de declinatie. De zon staat wat hoger boven de horizon. Dit effect wordt nog verder versterkt door dat de dagen wat langer zijn voor het noordelijk halfrond. Voor het zuidelijk halfrond geldt uiteraard het omgekeerde. De zon staat er dan lager en de dagen duren korter.

Figuur 6 – vergelijking energietransport van de lente met het jaargemiddelde

Voor het jaargemiddelde geldt dat er vooral energie wordt herverdeeld van de tropen naar de beide poolgebieden. Voor de lente geldt dat er vooral energie wordt herverdeeld van het noordelijk halfrond naar het zuidelijk halfrond. Wat wel opvalt is dat het noordpoolgebied energie tekort komt.
Met tekort komen bedoel ik dat de temperaturen die in het noordpoolgebied gemeten worden in de lente niet verklaard kunnen worden met alleen maar de hoeveelheid zonne-energie. Er is extra energie nodig die elders vandaan moet komen. Energie kan nu eenmaal niet uit het niets te voorschijn komen. Je kunt het evenmin in het niets laten verdwijnen. Je kunt het slechts verplaatsen van een gebied dat een overschot heeft naar een gebied dat een tekort heeft. De gemiddelde temperatuur van de Aarde zal hierdoor stijgen.

De zomer

Ook voor de zomer heb ik een tabel en drie grafieken., De zomer is het tegengestelde van de winter.
De zon staat nu door declinatie hoog aan de hemel overdag en de dagen duren lang. Hoe hoger de breedtegraad hoe sterker dit effect zal zijn. De zomer is in essentie het tegenovergestelde van de winter. Maar omdat de baan van de Aarde om de zon geen cirkel is maar een ellips en de afstand Aarde tot de zon in de winter korter is dan in de zomer, heeft de Aarde in de zomer minder zonne-energie per breedtegraad dan de winter. We beginnen met het weergeven van de tabel met de gemiddelde waarde voor de relevante variabelen voor de zomer;

Tabel III – gemiddelde waarden voor de relevante variabelen voor de zomer

Wat opvalt aan de zomer is de enorme hoeveelheid zonne-energie die beschikbaar is voor het noordpoolgebied. Zeker als je dit ook nog eens gaat corrigeren voor het feit dat de dagen in de poolzomer heel lang duren. De zon gaat dan immers niet onder. De waarde voor beschikbare hoeveelheid zonne-energie is in de poolgebieden nauwelijks minder dan in de tropen. De gevolgen zijn er ook naar. Verder geldt dat de hoeveelheid zonne-energie globaal zo’n 80 W/m2 kleiner dan in de winter het geval is.

Figuur 7 – vergelijking van de temperatuur tussen de zomer en het jaargemiddelde

In de poolzomer komt de temperatuur zelfs voor de hoogste breedtegraad namelijk die van 85° NB tot 90° NB de temperatuur boven de nul graden Celsius uit. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat er in de poolzomer massa’s ijs en sneeuw die in de poolwinter zijn gevormd weer wegsmelten. Het is eigenlijk een klein wonder dat er nog ijs en sneeuw blijft liggen. Maar de opwarming in de zomer moet in het poolgebied van heel ver onder nul komen en dat duurt dusdanig lang dat de zomer al weer voorbij is voor al het ijs en sneeuw de kans krijgt om te smelten.

Figuur 8 – Vergelijking van de zonne-energie tussen zomer en het jaargemiddelde

In dit figuur is nog beter dan in de tabel te zien hoe ongelofelijk veel zonne-energie het noordpoolgebied krijgt, zeker als je ook nog eens corrigeert voor de daglengte. Dat is meer dan in de tropen het geval is. Maar dit geldt alleen voor de zomer. Gemiddeld voor het hele jaar is dit duidelijk niet het geval. Dan krijgen de tropen wel degelijk veel meer energie dan de beide poolgebieden. Laat ons eens kijken hoe het verhaal er uit ziet voor het energietransport voor de zomer;

Figuur 9 – vergelijking energietransport van de zomer met het jaargemiddelde

Zoals in de winter er een aanzienlijk energietransport plaatsvindt van het zuidelijk halfrond naar het noordelijk halfrond is dit in de zomer uiteraard andersom. Immers als het hier zomer is dan is het daar winter. Het is interessant om te zien dat ook voor het noordpoolgebied geldt dat het meer zonne-energie krijgt dan dat het in temperatuur kan omzetten. Het heeft met andere woorden geen tekort dat aangevuld dient te worden van andere gebieden met een overschot.

De herfst

De herfst is het tegenovergestelde van de lente. Maar de verschillen tussen de herfst en de lente zijn minder extreem dan die tussen de zomer en de winter. De reden is dat de declinatie tijdens de herfst en de lente maar half zo groot is dan die voor de zomer en de winter. Declinatie werkt door in de hoogte van de zon boven de horizon, de lengte van de dag en de mate waarin beschikbare zonne-energie weerkaatst wordt. Het is de combinatie van alle drie deze mechanismen die de tegenstelling vergroot. De verschillen in declinatie komen voort uit de hellingshoek van de as van de Aarde ten opzichte van het vlak van de baan van de Aarde om de zon.

Ook voor de herfst heb ik een tabel en drie grafieken beschikbaar om de verschillen met het jaargemiddelde weer te geven.

Tabel IV – gemiddelde waarden voor de relevante variabelen voor de herfst

De hoogste breedtegraadzone van het noordpoolgebied krijgt ook in de herfst geen zonne-energie. De zon komt dan niet boven de horizon uit. De poolnacht heeft dan al ingezet. Deze duurt hier een halfjaar. Geen prettig oord om te wonen maar dat doet ook niemand want er is geen land. Er is slechts zeeijs en daar bouw je nu eenmaal geen huizen op.

Figuur 10 – vergelijking van de temperatuur tussen de herfst en het jaargemiddelde

Er zijn maar heel weinig verschillen tussen de herfst en het jaargemiddelde. Dit seizoen komt heel dicht bij het jaargemiddelde blijkbaar. Wat opvalt is dat het zuidelijk halfrond en dan met name het zuidpoolgebied een stuk kouder is dan het noordelijk halfrond en dan met name het noordpoolgebied. Een mogelijke verklaring is dat het het zuidpoolgebied een continent is met ijskap van een paar duizend meter dik en het noordpoolgebied een oceaan is. Het verschil in hoogte werkt door in de gemiddelde temperatuur. Hoe hoger je komt hoe kouder het immers wordt.

Figuur 11 – Vergelijking van de zonne-energie tussen herfst en het jaargemiddelde

In de herfst krijgt het noordpoolgebied heel weinig zonne-energie. Het is niet zo erg als in de winter maar het houdt bepaald niet over. Het gehele noordelijk halfrond krijgt minder zonne-energie in de herfst. Laat ons vervolgens eens kijken naar het energietransport voor de herfst;

Figuur 12 – vergelijking energietransport van de herfst met het jaargemiddelde

Het energie oversschot dat in de zomer nog voorhanden was voor het noordpoolgebied is al weer verdwenen. Het noordpoolgebied komt ook in de herfst tekort en heeft extra energie nodig van gebieden die een energie overschot hebben. Voor zover de vier seizoenen. Het wordt nu tijd om de boel samen te vatten. Dat doen we in de volgende paragraaf.

Samenvatting

De waarde van de relevante variabelen voor de seizoenen zijn gemiddelden. Zomer en winter zijn elkaars tegengestelde seizoenen net als lente en herfst dat zijn maar dan minder extreem. Door de declinatie versterken de drie belangrijkste variabelen die de hoeveelheid beschikbare zonne-energie voor het oppervlakte bepalen. Door de declinatie staat de zon zomers hoger boven de horizon, zijn de dagen langer en wordt er minder zonne-energie weerkaatst. Daardoor is er zomers veel meer zonne-energie beschikbaar en is de temperatuur een stuk hoger. Voor de zomer en winter zijn de verschillen in declinatie twee keer zo groot dan voor de lente en de herfst. Zomer en winter en lente en herfst zijn niet volledig symmetrisch. Dit komt omdat de baan van de Aarde om de zon niet cirkelvormig is maar elliptisch. De afstand Aarde zon is het kleinst in de winter en het grootst in de zomer. Het verschil is best wel groot. De zonne-intensiteit in de winter is circa 80 W/m2 hoger dan in de zomer. Dit vindt je niet terug in een verschil in globaal gemiddelde temperatuur tussen de zomer en de winter. Blijkbaar is de atmosfeer van de Aarde tot een zekere hoogte in staat om te corrigeren voor deze verschillen door geringe wijzigingen in de weerkaatsing en de emissiviteit. Verschillen in temperatuur tussen een seizoen en het jaargemiddelde zijn vooral te vinden op de hogere breedtegraden en dan met name voor de zomer en de winter. Voor de lente en de herfst zijn de verschillen een stuk kleiner.
De term het jaar gemiddelde zoals we dit tot nu toe hebben gebruikt is eigenlijk hoogst misleidend. Het is maar voor twee dagen per jaar waar Namelijk de beide equinoxen. Voor de overige 363 dagen hoeft het helemaal niet te kloppen. Dit geldt voor alle relevante variabelen in de tabel. Het zou dan ook geen kwaad kunnen om over te gaan tot het gemiddelde van alle waarden voor alle variabelen door het gemiddelde te bepalen over de vier seizoenen. Nu zijn de seizoenen op zich weer gemiddelden over perioden van 3 maanden. Dit kan op zich weer leiden tot allerlei afrondingen maar daar zijn gelukkig een aantal controle variabelen voor om te zien of de afrondingen niet tot te grote fouten leiden om acceptabel te zijn. Voor dit doel hebben we twee extra tabellen nodig. Een met de gemiddelden berekend over de vier seizoenen en een met het verschil tussen deze extra tabel en het gemiddelde berekent over de beide equinoxen. We beginnen met de tabel met gemiddelde over de vier seizoenen berekend;

Tabel V – Het gemiddelde berekend over de vier seizoenen

Een belangrijke controle variabele is de daglengte per breedtegraadzone. Deze hoort gemiddeld per jaar 12 uur te bedragen en doet dit dus ook. Het lijkt dus best wel te lukken om met de vier seizoenen te werken. Er is zo te zien geen noodzaak om een verdere verfijning aan te brengen door met de 12 maanden van het jaar te gaan werken. Dat zo veel werk zijn geweest en als dit niet nodig is kun je dit beter vermijden en proberen om je tijd beter door te komen.
De tabel met het seizoensgemiddelde geeft niet direct een goed beeld van het verschil met het jaargemiddelde daarom nemen we vervolgens voor iedere relevante variabele het verschil tussen het jaargemiddelde berekent uit de equinoxen en het gemiddelde berekend uit het gemiddelde over de vier seizoenen. Het resultaat is tabel VI;

Tabel VI – het verschil tussen het jaargemiddelde en het seizoensgemiddelde

De temperaturen zoals gemeten wijken in geen enkel opzicht af van het jaargemiddelde. De hoeveelheid energie die beschikbaar is wijkt wel af. De poolgebieden krijgen aanzienlijk meer zonne-energie dan volgens de tabel van het jaargemiddelde. De tropen daartegen krijgen juist iets minder energie. Er zijn een paar geringe afwijkingen voor de albedo. De albedo voor de poolgebieden is iets hoger en die voor de tropen is iets lager. Dit zou kunnen samenhangen met het feit dat de baan van de Aarde om de zon geen cirkel is maar een ellips. Voor de emissiviteit zijn er geen verschillen. De temperaturen zoals berekend laten wel verschillen zien. Ze zijn vooral voor de poolgebieden een stuk lager dan het jaargemiddelde aangaf. De omvang van het energietransport dat nog steeds verloopt van de tropen naar de poolgebieden laat zien dat dit een stuk lager uitvalt dan het jaargemiddelde deed vermoeden. Dat is logisch want zoals te zien is krijgen de poolgebieden veel meer zonne-energie dan in eerste instantie gedacht. Het komt er op neer dat het jaargemiddelde dat ik gebruikt heb om de temperaturen van de Aarde te verklaren en wat ik gebruikt hebt om de opwarming van de Aarde te verklaren geen goed beeld heeft gegeven van de waarden van de relevante variabelen. Dat betekent dat ik om te beginnen de figuren moest aanpassen die in deel 8b worden gebruikt. Het jaargemiddelde is geen goede weergave van de werkelijkheid. De berekeningen in deel 6 en deel 7 zullen opnieuw moeten gebeuren. De uitkomsten zullen zeker anders zijn. Of de conclusies van deel 6 en deel 7 ook moeten worden bijgesteld is niet zeker maar beslist mogelijk. Dat heb je met onderzoek. Steeds als je denkt dat je er eindelijk een keer uit bent duiken er weer nieuwe problemen op die om een oplossing vragen. Het is niet anders. Maar dit had je ook zonder kennis achteraf kunnen weten. Het jaargemiddelde geeft de situatie weer voor de beide equinoxen en is dus maar voor twee dagen per jaar waar. Voor de 363 overige dagen hoeft dit beslist niet zo te zijn. Wat verder opvalt is dat voor alle 6 tabellen, namelijk het jaargemiddelde, winter, lente, zomer, herfst en seizoensgemiddelde het gewogen gemiddelde voor energietransport altijd negatief is. Dit vergt enige uitleg. Een positieve waarde voor een breedtegraadzone wil zeggen dat het er warmer is dan op grond van de hoeveelheid zonne-energie mag worden verwacht. Er moet dus op een of andere manier energie zijn bijgekomen. Ik neem aan dat dit via energietransport verkregen is uit breedtegraadzones waar het omgekeerde waar is. Een negatieve waarde wil juist zeggen dat het juist minder warm is dan op grond van de hoeveelheid zonne-energie verwacht mag worden. Ik neem aan dat deze vermindering aan energie als overschot getransporteerd is naar gebieden met een tekort. Je kunt niet meer aan tekorten aanvullen dan dat er aan overschotten beschikbaar is. De negatieve waarde van het gewogen gemiddelde laat zien dat in alle zes situaties er voldoende overschot was aan zonne-energie om de tekorten aan te vullen. De vraag rest waarom het gewogen overschot niet gewoon nul is. Men zou verwachten dat de tekorten en de overschotten elkaar precies in evenwicht houden. Dit is blijkbaar niet het geval. Waarom dit niet is weet ik niet maar ik stel het vast en vermeldt dit. Daarmee is de samenvatting afgesloten en kunnen we over gaan tot de conclusies en de afsluitende literatuurlijst.

Conclusies

De waarde van de relevante variabelen wijken aanzienlijk af als je niet het jaargemiddelde neemt maar het seizoensgemiddelde. Dat is logisch want het jaargemiddelde is alleen waar voor de beide equinoxen en niet noodzakelijkerwijs ook voor de 363 andere dagen van het jaar. De tabel voor het seizoensgemiddelde geeft een veel beter beeld van de waarde van de relevante variabelen. Het is dan niet alleen nuttig om de relevante waarden op te splitsen voor de vier seizoenen het is gewoon nodig. Het is een kwestie van noodzaak zodra je besluit om het geheel op te splitsen in breedtegraden. Je kunt niet het een doen en het ander buiten beschouwing laten. Laat je het opsplitsen in seizoenen achterwegen dan krijg je niet de juiste waarden voor de relevante variabelen en kloppen de uitkomsten niet van je berekeningen en pogingen om temperaturen en opwarming van de Aarde te verklaren. Nut en noodzaak zijn hiermee voldoende aangetoond. Het loont zeker de moeite om het jaargemiddelde op te splitsen in de 4 seizoenen ook al is dit veel werk geweest. Maar een onderzoeker mag zich door dit soort overwegingen niet van laten afhouden om met het onderzoek door te gaan. Maar het kost veel werk en het kost veel tijd om dit te doen en er een fatsoenlijk verslag van te maken. Maar het loont de moeite. Het inzicht in hoe de dingen in elkaar zitten neemt aanzienlijk toe.
Ook is het nodig om de berekeningen voor deel 6 en deel 7 opnieuw uit te voeren. Dat is niet erg. Dit is hoe wetenschap verloopt. Het is precies zoals Lenin de weg naar de revolutie beschreef; Een stap voorwaarts en twee stappen terug. Het gaat met vallen en opstaan. De wetenschap is nooit voltooid. Gelukkig maar want dan zou ik een geheel nieuwe bezigheid moeten zoeken.

Literatuurlijst

Overzicht van de nieuwe serie artikelen
Wikipedia – Evenaar
Wikipedia – Seizoen
Wikipedia – Obliquiteit
Wikipedia – Excentriciteit
Wikipedia – Daglengte
KNMI, Climate explorer, monthly reanalyzers
NOOA, Physical Science Laboratory, NCEP/NCAR Reanalyzer
Solar Radiation Basics, University of Oregon, Solar Radiation Monitoring Laboratory

Over Raymond Horstman

Onderzoeker, analist, schrijver. Havo B-pakket, HBO analytische chemie en propedeuse Bestuurskunde aan de Universiteit van Twente. Een brede belangstelling in algemene zaken en een bijzondere interesse in klimaatstudies. Mijn woonplaats wordt door een bekend schrijver die er gewoond heeft omschreven als het "onliefelijk stadje E.". Een bekend dichter had het over het einde van de spoorlijn. Het is een fijne stad om in te wonen. Kort samengevat: E. heeft het!
Dit bericht werd geplaatst in artikel en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Deel 8b – De vier seizoenen

  1. meninggever zegt:

    Ben wel blij dat Lenin uiteindelijk een behoorlijke stap terug moest doen in 1989. Want zijn stappen voorwaarts hebben tot een hoop ellende geleid….

    Geliked door 1 persoon

  2. Pingback: Overzicht van de nieuwe serie artikelen | Raymond FANTASTische Horstman

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.