Deel 4a – Broeikaseffect – ja of nee

Deel 4 – Het mechanisme van de opwarming van de Aarde

Deel 4a – Het broeikaseffect – ja of nee

Inleiding

Deel 4 gaat over de vraag welk mechanisme er voor zorgt dat een stijging van broeikasgassen zoals kooldioxide er toe leidt dat de Aarde opwarmt. Het is op gesplitst in een aantal delen omdat het anders een  veel te lang verhaal zou worden. Dit deel 4a gaat over het al dan niet bestaan van het (versterkt) broeikaseffect als verklaring van het mechanisme van de opwarming van de Aarde.

Wat is het mechanisme dat er voor zorgt dat een stijging van het CO2-gehalte leidt tot een opwarming van de Aarde? De gangbare theorie in de klimaatwetenschap is het mechanisme van het versterkt broeikaseffect. Men gaat er van uit dat de Aarde een natuurlijk broeikaseffect heeft dat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van broeikasgassen zoals CO2.  De theorie luidt dat de zon licht in straalt dat nagenoeg ongehinderd door de atmosfeer dringt. Het bewijs hiervoor is dat je met behulp van uiterst krachtige telescopen het zwakste lichtsignaal van ver verwijderde sterrenstelsels nog kunt waarnemen. Door het invallende zonlicht wordt het oppervlakte opgewarmd en straalt infraroodstraling uit. Dit weet niet of nauwelijks door de atmosfeer heen te dringen. Dit komt door de aanwezigheid van broeikasgassen zoals CO2. Deze  absorberen de infraroodstralen deels en stralen het deels weer terug naar het oppervlakte. Het oppervlakte wordt hierdoor extra opgewarmd. Hoe meer CO2 in de atmosfeer is des te beter dit mechanisme werkt en des te meer warmt de Aarde op. Een simpel en doeltreffend mechanisme. Dit is waar het in de wetenschap om gaat. Vindt een  eenvoudige en doeltreffende mechanisme waar zo min mogelijk overbodige variabelen aan te pas komen en als zodanig voldoet de theorie van het broeikaseffect heel goed. Dit is het toepassen van wat men ook wel het scheermes van Ocham noemt. Als twee of meer theorieën iets evengoed verklaren gaat de voorkeur uit naar die theorie die de minste variabelen en aannames hoeft te doen.

Alles goed en wel maar dan moet de Aarde wel een natuurlijk broeikaseffect hebben anders valt er niet veel te versterken en valt de simpele en doeltreffende theorie in duigen. Hoe weten we nu dat de Aarde een broeikaseffect heeft? Dit is uitvoerig onderzocht o.a. Met behulp van het Stefan-Boltzmann model en hieruit blijkt dat zonder het broeikaseffect de Aarde een stuk kouder zou moeten zijn namelijk -19°C in plaats van een gemeten gemiddelde van +15°C. Dit is het verschil tussen een ijsklomp Aarde en een bewoonbare Aarde zoals we die kennen. Maar klopt dit verhaal wel? Uit mijn eigen onderzoek met behulp van het Stefan-Boltzmann model blijkt een heel ander verhaal. De gemiddelde temperatuur van de Aarde afgeleidt uit metingen kan wel degelijk uit het model worden afgeleid. Dat betekent dat de Aarde geen natuurlijk broeikaseffect heeft. Immers de temperatuur die volgt uit het model komt precies overeen met de gemeten temperatuur. Ook blijkt dat zonne-energie helemaal niet zo makkelijk door de atmosfeer van de Aarde heen dringt. Broeikasgassen zoals CO2 zijn niet alleen heel goed om de infraroodstraling van de Aarde te absorberen maar zijn net zo goed in het absorberen van de infraroodstraling van de zon. Kortom de Aarde heeft helemaal geen natuurlijk broeikaseffect en wat je niet hebt kun je niet versterkten. Het is dus simpel zoals goede natuurkunde hoort te zijn. Maar wil dit zeggen dat een stijging van broeikasgassen zoals CO2 niet tot een opwarming van de Aarde leidt? Jawel, dat doet het wel degelijk. Maar niet via het mechanisme van het versterkt broeikaseffect. Dit is ook volgens menig wetenschapper een hoogst ongelukkig gekozen metafoor om iets ingewikkeld als de opwarming van de Aarde uit te willen leggen aan een geïnteresseerde leek. Beeldspraak kan heel verhelderend werken maar het moet wel kloppen en dat doet het hier niet. Daardoor zorgt de metafoor slechts voor verwarring omdat blijkbaar ook menig wetenschapper het letterlijk gaat nemen. Dit is in het kort waar deel 4a overgaat. Het (versterkt) broeikaseffect bestaat niet en kan niet bestaan en dit is al veel langer bekend.

Het broeikaseffect

Men neemt aan dat de atmosfeer van de Aarde zonlicht beter doorlaat dan aardwarmte. Hierdoor is de Aarde warmer dan op grond van het stralingsevenwicht verwacht mag worden. De gemiddelde temperatuur uit de metingen vergelijkt men met wat de uitkomst zou moeten zijn als er geen broeikaseffect zou bestaan. Voor deze vaststelling gebruikt men een uiterst eenvoudig natuurkundig model, namelijk het Stefan-Boltzmann model. Dit model is al meer dan 100 jaar geleden door de heren Stefan en Boltzmann ontwikkeld en als juist bevonden. Beide heren maakten deel uit van een bijzonder getalenteerde generatie van natuurkundigen waar ook Max Planck toe behoorde. Het model van Stefan-Boltzmann beschrijft een evenwichtstoestand voor een voorwerp waar alleen stralingsenergie een rol speelt. Voor de Aarde geldt dat er een evenwicht is tussen de ingaande zonne-energie en de uitgaande aardenergie. In een evenwicht situatie veranderd de temperatuur niet meer. Het model ziet er als alle goed uitgewerkte natuurkunde verbluffend eenvoudig uit;

I          E-in = E-uit

II         E-in = (1-α) * TSI/4

III       E-uit = ε*σ*T-gem4 met T-gem berekent uit gemeten temperaturen in K

Als je II en III invult in I krijg je de volgende formule;

IV       T-gem-bereken = 4 √ (((1-α) * TSI)/(4* ε*σ) in K

met T-gem-bereken de berekende evenwichtstemperatuur.

Met:    α = fractie weerkaatste zonne-energie of albedo

TSI= Zonne-energie op 1 AE

ε=emissiviteit is fractie uitgestraalde aardenergie

σ=Stefan-Boltzmann constante = 5,67*10-8

In een evenwichtssituatie zou de T-gem die bepaald is uit de metingen gelijk moeten zijn aan de T-gem zoals die uit de berekening volgt. Maar dit zou voor de Aarde niet het geval zijn. Dit komt door het bestaan van het natuurlijk broeikaseffect waardoor het op Aarde warmer is dan je op grond van het stralingsevenwicht zou verwachten. Waar vindt men de waarden  van de variabelen zoals ze in het model staan? Die kan men uit een energiebalans van de Aarde afleiden. In een energiebalans geeft men de gemiddelde waarden voor energiestromen aan voor de Aarde over een heel jaar uitgesmeerd. Men houdt geen rekening met seizoenen of breedtegraden. Slechts het globale gemiddelde over een heel jaar is van belang. In een energiebalans zijn alle relevante energiestromen opgenomen. Een iconisch voorbeeld van een energiebalans is die van Kiehl en Trenberth uit 1997;

plaatje-4-kiehl-trenberth-1997-color

Figuur 1 – Energiebalans van Kiehl en Trenberth uit 1997

Uit deze energiebalans kan men op een eenvoudige manier de waarden van de variabelen afleiden en invullen in het model. Laten we hier maar eens mee aan de slag gaan;

De zonne-energie TSI in deze energiebalans is 1368 W/m2. Gedeeld door 4 krijg je dan de weergeven 342 W/m2. Hiervan wordt 107 W/m2 weerkaats. Dat geeft een albedo van 107/342=0,3129. De T-gem afgeleidt uit metingen is in deze energiebalans 15°C=288K. Men gaat er van uit dat de emissiviteit van het oppervlakte van de Aarde (nagenoeg) 1 is. Als we deze waarden van de variabelen invullen krijgen we een T-gem-berekend van 254K= -19°C. Dit wijkt flink af van de waarde zoals afgeleid uit metingen. Dit verschil wordt gezien als bewijs dat de Aarde  daadwerkelijk een natuurlijk broeikaseffect heeft. Het lijkt duidelijk maar klopt deze bewijsvoering wel? Dit hangt af van de waarde die je invult voor emissiviteit want de andere waarden kloppen verder wel. De emissiviteit van het oppervlakte van de Aarde is weliswaar nagenoeg 1 maar is dit relevant voor de berekening? Het antwoord is nee want de Aarde heeft een atmosfeer.

De energie die het oppervlakte van de Aarde uitstraalt, komt eerst in de atmosfeer terecht en gaat dan pas via de top van de atmosfeer naar het heelal waar het definitief wordt uitgestraald. Van de 390 W/m2 die het oppervlakte uitstraalt bij een T-gem van 15°C en een emissiviteit van 1, wordt uiteindelijk dus 235 W/m2 uitgestraald en dit geeft een effectieve emissiviteit van 235/390=0,6026. Als je deze waarde invult in de formule krijg je een berekende waarde voor T-gem-berekend=288K=15°C  en dit is precies gelijk aan de waarde van T-gem zoals afgeleidt uit de metingen. Als men de zaken op deze juiste manier weergeeft dan heeft de Aarde helemaal geen natuurlijk broeikaseffect. En wat je niet hebt kun je nu eenmaal niet versterken.

Er is nog een andere simpele manier om te controleren of de Aarde een broeikaseffect heeft. Bij de theorie van het natuurlijk broeikaseffect gaat men er van uit dat zonlicht makkelijker door de atmosfeer weet te komen dan aardwarmte. Ook dit is een claim die te controleren valt aan de hand van de energiebalans. De hoeveelheid zonlicht is de hoeveelheid zonne-energie die aan de top van de atmosfeer beschikbaar is. In deze energiebalans is dit 342 W/m2. Hiervan wordt door de atmosfeer een hoeveelheid van 77 W/m2 gereflecteerd. Verder wordt er door de atmosfeer een hoeveelheid van 67 W/m2 geabsorbeerd. Deze hoeveelheden weten het oppervlakte van de Aarde niet te bereiken. Wat het oppervlakte wel bereikt is 342-77-67=198W/m2. Dit staat gelijk aan een percentage van 198/342*100=58%. De hoeveelheid aardwarmte die uiteindelijk vanaf het oppervlakte van de Aarde de top van de atmosfeer weet te bereiken kan eveneens bepaald worden. Het percentage dat dit weet te bereiken is 235/390*100=60%. Met andere woorden, de aanname dat zonne-energie makkelijker door de atmosfeer heen komt dan aardwarmte blijkt niet te kloppen. Want 58% is nu eenmaal kleiner dan 60%. Het is eerder andersom. Nu zult u misschien zeggen dat dit wel een vergaande conclusie is aan de hand van slechts een enkel weliswaar iconisch plaatje dat alweer uit 1997 stamt. De wetenschap heeft tenslotte niet stil gestaan. Er is veel onderzoek gedaan en dit heeft een hele reeks nieuwere energiebalansen opgeleverd. Maar deze energiebalans vertellen het zelfde verhaal. Zie hiervoor tabel I;

tabel-1-eb-bke-j-n

Tabel I – Meerdere energiebalansen

In deze tabel zijn de relevante waarden vermeld van een 11-tal energiebalansen die ik via het internet bij elkaar heb gegoogeld. De energiebalansen zijn genummerd van 1 tot en met 11. De laatste kolom geeft het gemiddelde per rij weer en is geen poging om tot zoiets als een gemiddelde energiebalans te komen. Dit is niet het doel van dit onderzoek. Laten we eens kijken wat de tabel vermeld voor de diverse energiebalansen;

Rij 1 geeft de TSI/4 weer. Dat is de hoeveelheid zonne-energie op de top van de atmosfeer. Uit de laatste kolom blijkt dat ook deze waarde niet zo heel veel verschilt per energiebalans. Rij 2 geeft weer hoeveel de reflectie of weerkaatsing er is van de atmosfeer. Rij 3 geeft de absorptie weer van de atmosfeer van de door de zon in gestraalde energie. Rij 4 geeft de hoeveelheid zonne-energie weer die het oppervlakte van de Aarde weerkaatst. Rij 5 is de hoeveelheid warmte die het aardoppervlakte uitstraalt en rij 6 geef weer hoeveel warmte de top van atmosfeer uitstraalt. Aan de hand van  deze waarde bepalen we vervolgens een reeks van andere waarden voor relevante variabelen;

Rij 7 geeft de albedo weer van de atmosfeer. Dat is de fractie van de hoeveelheid zonne-energie die door de atmosfeer wordt weerkaatst. Het is rij 2 gedeeld door rij 1. Rij 8 geeft de fractie weer van de hoeveelheid zonne-energie die door het oppervlakte wordt weerkaatst. Dat is dus rij 4 gedeeld door rij 1. Rij 9 geeft de totale albedo weer. Dit is rij 2 + rij 3 gedeeld door rij 1. Het is niet gelijk aan de optelsom van rij 7 en rij 8. Dit komt omdat een deel van de zonne-energie wordt geabsorbeerd door de atmosfeer. Dit deel van de zonne-energie kan niet door het oppervlakte worden weerkaatst. Rij 10 geeft de effectieve emissiviteit weer. Dit is rij 6 gedeeld door rij 5. Rij 11 geeft de emissiviteit weer van het oppervlakte en deze is (nagenoeg) gelijk aan 1. Rij 12 geeft de Stefan-Boltzmann constante weer. Met behulp van deze waarden van de relevante variabelen kunnen we nu met behulp van zowel de wet als het model van Stefan-Boltzmann de noodzakelijk berekeningen uitvoeren die aan moeten geven of de Aarde nu wel of niet een broeikaseffect heeft;

Rij 13 geeft de uitkomst weer voor de berekenden waarde van de temperatuur als je zoals gangbaar is uitgaat van een emissiviteit van 1. Als je dit vergelijkt met de gemeten temperatuur(rij 15) dan krijg je de omvang van het broeikaseffect in rij 14. Dat verschilt maar weinig van de ene energiebalans naar de andere. Het is overal zo rond 34°C. Maar zoals we eerder al gezien hebben is het de relevante emissiviteit die ingevuld dient te worden. Dus de waarde in rij 10. Als je dit doet krijg je de berekende waarde voor de temperatuur zoals weergeven in rij 16. Als je deze uitkomst vergelijkt met de gemeten waarde voor de temperatuur dan klopt dit voor iedere energiebalans met de gemeten waarde. Met andere woorden iedere energiebalans laat het zelfde beeld zien. De Aarde heeft geen broeikaseffect. Dat is de conclusie zoals weergegeven in rij 18. In rij 19 wordt berekend hoeveel procent van de beschikbare zonne-energie(SWR) op de top van de atmosfeer het oppervlakte van de Aarde weet te bereiken. In rij 20 is het zelfde gedaan voor de aardenergie(LWR) die er in slaagt om van het oppervlakte de top van de atmosfeer te bereiken. In rij 21 worden rij 19 en 20 met elkaar vergeleken en voor iedere energiebalans geldt dat het voor zonne-energie niet makkelijker is om door de atmosfeer te dringen dan dat het voor aardwarmte is. Met andere woorden ook uit deze test volgt dat de Aarde geen broeikaseffect heeft. Dat is ook de conclusie zoals die in rij 22 wordt weergegeven.

Er staat een heleboel info in tabel I maar her gaat vooral over de rijen 15-18 en de rijen 19-22. Daar worden voor de 11 onderzochte energiebalans vastgesteld dat de uitkomsten in alle gevallen het zelfde zijn. De Aarde heeft geen natuurlijk broeikaseffect. Met de relevante waarde voor emissiviteit ingevuld is de temperatuur in stralingsevenwicht precies gelijk aan de gemeten waarde. Het is niet warmer dan men zou verwachten. Het is precies goed zoals het is. Wat je niet hebt kunt je ook niet versterken. In de volgende paragraaf wordt een verklaring gegeven waarom dit zo is.

Verklaring waarom de Aarde geen Broeikaseffect heeft

Het verhaal van het (versterkt) broeikaseffect komt er op neer dat de meest voorkomende gassen in de atmosfeer namelijk stikstof en zuurstof nauwelijks een hindernis vormen voor inkomend zonlicht en uitgaande aardenergie. Broeikasgassen zoals kooldioxide laten zonlicht ook ongehinderd door maar blokkeren een aanzienlijk deel van de door de Aarde uitgestraalde warmte. De warmtestraling wordt geabsorbeerd en verspreid. Een deel wordt terug gestraald naar het aardoppervlakte en warmt dit op. Dit is wat men verstaat onder het broeikaseffect. Een toevoeging van extra broeikasgassen zoals kooldioxide leidt tot extra opwarming van de Aarde. Dit noemt men het versterkt broeikaseffect. Maar klopt dit met de waarneming? Zie hier voor tabel II;

tabel-2-al-swr-lwr

Tabel II – Absorptielijnen SWR(zon) en LWR(Aarde)

In deze tabel zijn de absorptielijnen opgenomen van de meest voorkomende gassen in de atmosfeer. Stikstof en zuurstof die samen zo’n 98% van het geheel uitmaken hebben heel weinig absorptielijnen in zowel het gebied van de inkomende zonne-energie(het SWR gebied) als wel de uitstralende aardenergie(het LWR gebied). Dit deel van het verhaal klopt wel. En voor broeikasgassen zoals CO2, CH4, N2O en O3 lijkt het verhaal ook heel goed te kloppen. Er is sprake van massa’s absorptielijnen in het gebied van de aardenergie, het LWR gebied, precies zoals de theorie van het broeikaseffect voorspelt. Ook dit klopt. En als men zich in het gebied van de inkomende zonne-energie beperkt tot het zichtbaar licht klopt het ook voor het SWR gebied. Maar de zon schijnt niet alleen zichtbaar licht in. Het straalt ook massa’s infrarood in. En hier klopt het verhaal niet langer. Er zijn ook massa’s absorptielijnen in het infrarode gebied voor broeikasgassen aanwezig. Hier gaat het dus mis met de theorie van het versterkt broeikaseffect. Als je extra kooldioxide toevoegt krijg je niet alleen extra absorptie in het LWR gebied waar de Aarde uitstraalt maar ook extra absorptie in het SWR gebied waar de zon instraalt. Er resteert slechts een netto effect waarvan ik niet weet wat het teken is. Het is om deze eigenlijk heel simpele reden waarom een toename van kooldioxide  niet leidt tot een toename van het broeikaseffect. Er is dus niet of nauwelijks sprake van zoiets als het broeikaseffect.

Wil dit dan zeggen dat een toename van kooldioxide niet leidt tot een toename van de temperatuur van het oppervlakte van de Aarde? Nee, dit doet het wel degelijk maar niet via het mechanisme van het versterkt broeikaseffect. De Aarde heeft helemaal geen broeikaseffect. Het is slechts een hoogst ongelukkig gekozen metafoor om de opwarming van de Aarde uit te leggen aan een geïnteresseerde leek. Metaforen kunne een krachtig gereedschap zijn om iets ingewikkelds op een eenvoudige wijze uit te leggen. Maar ze zijn ook riskant omdat ook wetenschappers ze letterlijk kunnen nemen. Als dit gebeurt dan leiden ze niet tot meer inzicht maar leiden ze juist tot verwarring. Als de opwarming van de Aarde door een toename van broeikasgassen niet verloopt via het mechanisme van het versterkt broeikaseffect, hoe werkt het dan wel? Hier ben ik nog niet helemaal uit. Ik heb wel een aanzet voor een theorie en de nodige ideeën. Maar er is nader onderzoek voor nodig om dit in een samenhangende theorie onder te brengen. Dit komt aan de orde in het volgende deel van deze serie deel 4b. In dit deel 4a beperk ik me tot de vraag of de Aarde een (versterkt) broeikaseffect heeft. Dat is niet het geval. Het broeikaseffect bestaat niet en wat niet bestaat kun je niet versterken.

Conclusies

De Aarde heeft geen broeikaseffect en wat je niet hebt kun je niet versterken door extra broeikasgassen toe te voegen aan de atmosfeer. Dit blijkt uit een reeks van testen waaraan de theorie van het (versterkt) broeikaseffect is onderworpen.

Als eerste hebben we de bewering getoetst dat de gemiddelde temperatuur vastgesteld uit de metingen hoger is dan op grond van het stralingsevenwicht verwacht mag worden. Dit is getoetst met het Stefan-Boltzmann model. Als je voor de emissiviteit de waarde 1 invult klopt het dat de Aarde warmer is dan verwacht en dus een broeikaseffect heeft. Maar hoewel de emissiviteit van het oppervlakte van de Aarde (nagenoeg) 1 is, is dit niet relevant. Het oppervlakte straalt niet rechtstreeks uit in het heelal maar eerst in de atmosfeer. Het gaat er om welke fractie van deze straling uiteindelijk uitstraalt naar het heelal. Met behulp van een energiebalans voor de Aarde kan men deze fractie vaststellen. Vullen we deze waarde in voor de emissiviteit dan komt de berekende waarde voor de temperatuur in stralingsevenwicht precies overeen met de gemiddelde temperatuur zoals die uit de metingen is vastgesteld. Met andere woorden, de gemiddelde temperatuur van het oppervlakte van de Aarde is helemaal niet te hoog maar precies wat het moet zijn. Met andere woorden de Aarde heeft geen broeikaseffect.

Hierna hebben we de bewering getoetst dat zonlicht makkelijker door de atmosfeer dringt dan warmtestraling van de Aarde. Dit is waar maar opnieuw niet relevant. Het gaat er om of het percentage zonne-energie dat vanaf de top van de atmosfeer het oppervlakte bereikt groter is dan het percentage warmtestraling dat van het oppervlakte van de Aarde uiteindelijk de top van de atmosfeer weet te bereiken. En opnieuw blijkt uit de energiebalans voor de Aarde dat dit niet het geval is. Het is eerder omgekeerd. Met andere woorden de Aarde heeft geen broeikaseffect. En wat je niet hebt kun je ook niet versterken.

Vervolgens is onderzocht waarom de Aarde geen broeikaseffect heeft door te kijken naar het aantal absorptielijnen van de meest relevante en meest voorkomende gassen in de atmosfeer namelijk enerzijds zuurstof en stikstof en anderzijds de broeikasgassen zoals kooldioxide, methaan, lachgas en ozon. Daarbij is gekeken naar de relevante bereiken van de spectra van de zon namelijk ultraviolet, zichtbaar licht en infrarood en die van de Aarde namelijk ver infrarood. De bewering dat licht en warmte (nagenoeg) ongehinderd door zuurstof en stikstof komen maar warmte niet zo gemakkelijk door broeikasgassen komen is waar maar dit is niet het hele verhaal. Het is niet alleen de Aarde die warmte uitstraalt in het verre IR, het is ook de zon die warmte instraalt in het infrarood. Voor beide gebieden geldt dat ze niet makkelijk door de broeikasgassen kunnen doordringen. In beide gebieden vindt grootschalige absorptie plaats. Als het voor de aardwarmte moeilijk is om door de atmosfeer te dringen en het heelal te bereiken dan is het ook moeilijk voor het infrarode deel van de zonne-energie om het oppervlakte te bereiken. Er resteert dan slechts een netto effect dat klein zal zijn en waarvan het teken niet eens vast staat. Daarom werkt het mechanisme van het versterkt broeikaseffect niet. Extra broeikasgassen zoals kooldioxide toevoegen zal aan beide kanten van de vergelijking doorwerken en dus een heel beperkt netto effect hebben in de opwarming van de Aarde.

Dit wil niet zeggen dat het toevoegen van extra broeikasgassen zoals kooldioxide niet zou bijdragen aan de opwarming van de Aarde. Dat doet het wel. Maar niet via het mechanisme van het versterkt broeikaseffect. Hoe werkt het dan wel? Daar is nader onderzoek voor nodig. Dit deel 4a beperkt zich tot de vraag of het mechanisme van het versterkt broeikaseffect kan werken en stelt vast dat dit niet het geval is. Het lijkt er op dat de theorie van het (versterkt) niet meer is dan een ongelukkig gekozen metafoor om iets dat best wel ingewikkeld is uit te leggen aan de geïnteresseerde leek.

Literatuurlijst

Wikipedia – Ockhams scheermes

Wikipedia – Josef Stefan

Wikipedia – Ludwig Boltzmann

Wikipedia – Max Planck

Wikipedia – broeikaseffect

Wikipedia – Broeikasgassen

KNMI – broeikaseffect

KNMI – energiebalans

Wikipedia – energiebalans

 

Over Raymond Horstman

Onderzoeker, analist, schrijver. Havo B-pakket, HBO analytische chemie en propedeuse Bestuurskunde aan de Universiteit van Twente. Een brede belangstelling in algemene zaken en een bijzondere interesse in klimaatstudies. Mijn woonplaats wordt door een bekend schrijver die er gewoond heeft omschreven als het "onliefelijk stadje E.". Een bekend dichter had het over het einde van de spoorlijn. Het is een fijne stad om in te wonen. Kort samengevat: E. heeft het!
Dit bericht werd geplaatst in artikel en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

6 reacties op Deel 4a – Broeikaseffect – ja of nee

  1. Pingback: Deel 4b – De opwarming van de Aarde verklaard | Raymond FANTASTische Horstman

  2. Pingback: Deel 6 – Verklaring, modelvorming en dataverzameling | Raymond FANTASTische Horstman

  3. Pingback: Overzicht van de nieuwe serie artikelen | Raymond FANTASTische Horstman

  4. Pingback: Deel 7 – De simulaties en verklaring voor opwarming | Raymond FANTASTische Horstman

  5. Pingback: Deel 8a – De vier seizoenen – model en dataverzameling | Raymond FANTASTische Horstman

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.