Deel 2 – De toename van CO2

De toename van CO2

Inleiding

Dit is het tweede deel van de serie over de klimaatverandering van de Aarde. Het eerste deel ging over de opwarming van de Aarde en dit deel gaat over de stijging van het CO2-gehalte van de atmosfeer en de oorzaak hier van. Men vermoedt dat dit voortkomt uit het gestegen verbruik van fossiele brandstof. Dat is wat in dit artikel nader onderzocht wordt. Kan men de stijging van het CO2-gehalte van de atmosfeer reconstrueren uit het toegenomen verbruik van fossiele brandstoffen?

Het CO2-gehalte van de atmosfeer is flink gestegen. In 1958, het begin van de metingen, was het gehalte aan CO2 in de atmosfeer 315 ppm en 2020 was dit al opgelopen tot 414 ppm. Dat is een toename van 31% ten opzichte van 1958. En dat is best wel veel. En dat is dus een probleem.

De klimaatwetenschap gaat er van uit dat een stijging van het CO2-gehalte leidt tot opwarming van de Aarde. En dat is minder leuk dan het lijkt. In onze winters is er nauwelijks nog sneeuw of ijs. Schaatsen op echt natuurijs zit er nauwelijks meer in en de kans op een Elfstedentocht is wel heel klein geworden. In de zomer komt het steeds vaker tot een hittegolf en droogte. Dit is ook geen onverdeeld genoegen. Er valt meer neerslag maar minder regelmatig. Verder smelten er gletsjers en ijskappen en dat leidt tot een stijging van de zeespiegel. Een groot deel van ons land ligt al onder zeespiegel dus dat is ook geen goed nieuws. Het enige goede nieuws is dat zachte winters schelen in de stookkosten maar weegt dit op tegen de vele nadelen van de opwarming van de aarde? Men gaat er van uit dat de opwarming van de Aarde veroorzaakt wordt door een stijging van het CO2-gehalte. Waar komt deze stijging van het CO2-gehalte vandaan? Dit is het onderwerp van mijn onderzoek. Men gaat er van uit dat de stijging van het CO2-gehalte voortkomt uit het alsmaar toenemende verbruik van fossiele brandstoffen zoals steenkool, bruinkool, aardgas en aardolieproducten zoals LPG, kerosine, benzine, diesel en stookolie. Bij de verbranding komt warmte vrij en CO2. De warmte gebruikt men voor verwarming en het verrichten van nuttige arbeid en de CO2 ontsnapt in de atmosfeer. We zullen proberen of we de exponentiële stijging van het CO2-gehalte kunnen reconstrueren uit de stijging van het gebruik van fossiele brandstof. Indien dit lukt is de stijging van het CO2-gehalte antropogeen, dat wil zeggen door toedoen van de mens veroorzaakt. Als we er van uit gaan dat een stijging van het CO2-gehalte leidt tot opwarming van de Aarde is de opwarming dus ook antropogeen. Maar het verband tussen CO2 en temperatuur komt pas aan de orde in het 3e deel van deze reeks. In dit deel beperken we ons tot de reconstructie van CO2 uit fossiele brandstoffen.

De ontwikkeling van het CO2-gehalte

Het begin van de Industriële revolutie wordt meestal gelegd bij de uitvinding en gebruik van de stoommachine. Stoommachines werden uitgevonden aan het eind van de 17e eeuw en het begin van de 18e eeuw en niet door James Watt zoals meestal ten onrechte wordt beweerd. Watt heeft de bestaande stoommachines van de heren Denis Papin, Thomas Savery en Thomas Newcomen aanzienlijk verbeterd. Deze machines werden vooral gebruikt om kolenmijnen droog te pompen. Er was veel vraag naar steenkool vanuit de industrie maar ook om huizen te verwarmen. Deze ontwikkeling vond als eerste plaats in Engeland. Het is dus zinvol om het begin van de Industriële Revolutie ergens om 1700 te laten beginnen. Onderstaand plaatje geeft de ontwikkeling van het CO2-gehalte weer vanaf 1700;

fig-1-co2-sinds-1700

Figuur 1 – Ontwikkeling van het CO2-gehalte vanaf 1700

Uit het figuur wordt duidelijk dat het natuurlijke gehalte aan CO2 circa 275 ppm bedraagt. De stijging verloopt niet lineair maar exponentieel. Dat wil zeggen dat het steeds minder tijd kost om het gehalte met bijvoorbeeld 25 ppm te laten stijgen. De grens van 300 ppm werd pas na 215 jaar bereikt vlak voor de Eerste Wereldoorlog. De grens van 325 ppm werd al na 55 jaar bereikt ergens in 1970. De grens van 350 ppm al na 25 jaar vlak voor de ineenstorting van het Oostblok en de Sovjet Unie. De grens van 375 ppm werd al ergens in 2005 doorbroken. Dat koste maar 15 jaar en in 2015 waren we al boven de 400 ppm en nu gaat het hard op weg naar de 425 ppm. Het is heel hard gegaan. Dat krijg je bij exponentiële toename van iets. Het gaat vrolijk steeds sneller verder.

Waardoor is het CO2-gehalte zo snel gestegen? Men zegt door het steeds maar toenemend gebruik van fossiele brandstof zoals steenkool, aardgas en aardolieproducten zoals benzine en diesel. In de volgende paragraaf zullen we kijken of dit klopt. Als dit zo is moet het mogelijk zijn om de stijging van het CO2-gehalte te reconstrueren uit het verbruik van fossiele brandstof.

Reconstructie CO2-gehalte

Het verbruik van fossiele brandstof is sinds het begin van de industriële revolutie aanzienlijk gestegen. Onderstaand figuur geeft een beeld van deze exponentiële toename van het verbruik;

fig-2-fossiel-brandstof

Figuur 2 – Toename van verbruik fossiele brandstoffen

Het is vooral na 1950 heel hard gegaan met het verbruik. Het is pas sinds 1958 dat men begonnen is om het CO2-gehalte van de atmosfeer te meten. Dat gebeurde door de heer Keeling en leverde de Keeling curve op. Er zijn andere en misschien wel veel betere tijdreeksen om het gehalte van kooldioxide in de atmosfeer te meten maar de Keeling curve is de oudste en meest bekende. Dat is waarom ik deze curve blijf gebruiken. Men kan het verbruik van fossiele brandstof ook meten in de hoeveelheid koolstof die het bevat en dus de hoeveelheid die in de atmosfeer beland. Deze hoeveelheid koolstof komt in de atmosfeer in de vorm van kooldioxide(CO2). In het volgende figuur zijn deze hoeveelheden weergegeven over de periode waarover het onderzoek zich uitstrekt.

fig-3-co2-megaton

Figuur 3 – Koolstof en kooldioxide emissies 1958-2014

De CO2-emissies stijgen vrijwel over de hele periode. Er waren een paar korte periode van terugval. Tijdens de eerste(1972-73) en tweede oliecrisis(1979-82) was er een kleine terugval. Ook tijdens de ineenstorting van het Oostblok en de Sovjet Unie(1989-92) en tijdens de Krediet en Euro crisis(2008-9) vielen de CO2-emissies iets terug. Maar dit was slechts gering en de terugval werd al weer snel overwonnen. De laatste paar jaar lijkt de CO2-emissie te stabiliseren. Of dit stand houdt of niet? Geldt dat The show must go on en het is Business as usual? Dat blijft nog even afwachten.

Het omrekenen van verbruik van koolstof naar emissie van kooldioxide is simpel. Koolstof heeft een atoom gewicht van 12 en zuurstof heeft een atoomgewicht van 16. Koolstof C wordt omgezet in kooldioxide CO2. Koolstof weegt 12 en kooldioxide weegt 12+2×16=44. De omrekening is 44 gedeeld door 12 is 3,67. Nu dient men de hoeveelheid kooldioxide nog om te rekenen van megaton een gewichtseenheid naar ppm een volume eenheid. Dit hebben we al eens eerder gedaan in de serie antropogeen CO2. Door voor ieder jaar de hoeveelheid CO2 emissie en toename te bepalen in ppm krijgen we het volgende plaatje;

fig-4-co2-em-toe-enso

Figuur 4 – CO2 emissie, uitval en toename en ENSO

De toename van het CO2-gehalte(de blauwe lijn) blijft sterk achter bij de CO2-emissie(de rode lijn). Ook valt op dat er veel schommelingen zijn op de blauwe lijn van toename van het CO2-gehalte die niet te zien zijn op de rode lijn van de CO2-emissie. Men neemt aan dat de schommelingen in de CO2-toename samenhangen met het verschijnsel van el Nino en la Nina. Men noemt deze verschijnselen ook wel de ENSO schommeling (de paarse lijn). Er is enige overeenkomst vast te stellen. Dat de toename van CO2 achter blijft op de emissie hebben we al uitvoerig onderzocht in de serie antropogeen CO2. De toename van CO2 in de atmosfeer is een kwestie van emissies en uitval. Gangbaar is om hier het begrip airbornfraction(ABF) toe te passen. Dat is de fractie van de CO2-emissie die in de atmosfeer blijft hangen. Men kan ook gebruik maken van het alternatieve begrip uitval als fractie van antropogeen CO2 toepassen. Hierbij gaan we er van uit dat de atmosfeer een natuurlijk gehalte heeft aan CO2 van 275 ppm. Alles daarboven is antropogeen en hoort daar niet. Een deel van deze antropogene CO2 valt er weer uit. Dit deel noemen we antropogene fractie(FA). Beide begrippen kun je uitwerken door te kijken wat ieder jaar de ABF of de FA is en daar een gemiddelde waarde uit te bepalen maar ook door te kijken of deze waarden veranderen over de tijd. Dit is weergegeven in figuur 5;

fig-5-co2-abf-fa-trend-tijd

Figuur 5 – airbornfraction ABF en FA over de tijd

De gemiddelde waarde voor de ABF over de onderzochte periode van 56 jaar is 0,460. Dat wil zeggen dat van iedere ton kooldioxide die in de atmosfeer wordt geloosd 0,460 ton blijft hangen. De rest valt er weer uit. Het is gangbaar om er vanuit te gaan dat deze kooldioxide die blijft hangen niet of nauwelijks meer uit de atmosfeer kan ontsnappen. De tendens voor ABF is een geringe daling over de tijd. Voor het begrip FA geldt dat gemiddeld ieder jaar een hoeveelheid van 2,4% aan antropogeen kooldioxide terug valt uit de atmosfeer. Daardoor neemt het CO2-gehalte van de atmosfeer minder snel toe dan de emissie. De terugval hangt niet af van de emissie en gaat dan ook door ook als de emissie van antropogeen CO2 tot staan zou komen. De FA stijgt iets over de tijd. Of de veranderingen in ABF of FA veel uitmaken weet je niet van te voren. Daarom is het verstandig om afzonderlijke reconstructies te maken met vaste waarden en met trendmatige veranderingen er van. Je krijgt dus vier reconstructies die we afzonderlijk gaan behandelen. Het basis idee voor iedere reconstructie is het zelfde. Het verbruik van fossiele brandstof in megaton Koolstof wordt per jaar omgerekend in megaton kooldioxide. Dit wordt omgerekend in CO2-emissies in ppm en hier gaat de uitval van CO2 vanaf. Dit levert de toename op van het CO2-gehalte op. De reconstructie wordt vergeleken met de echte ontwikkeling zoals die uit de Keeling curve is afgeleid. Er wordt gekeken hoeveel verschil er is. De reconstructie met het kleinste verschil met waarneming is de beste van de vier.

Wat alle vier reconstructies gemeen hebben is de omrekening van verbruik van koolstof bevattende fossiele brandstof in megaton naar kooldioxide emissies in ppm. De eerste stap is dat megatonnen koolstof worden omgezet in megatonnen kooldioxide. Deze omrekening is simpel. Koolstof heeft een atoomgewicht van 12 en zuurstof heeft er een van 16. Kooldioxide heeft een molecuulgewicht van 12 + 2 x 16 = 44. En 44 gedeeld door 12 geeft een omreken factor van 3,67. Het gewicht in megatonnen kooldioxide dient dan omgezet te worden in de volumemaat ppm. Dit hebben we al eerder gedaan. De omrekening bleek te bestaan uit het delen van de megatonnen kooldioxide door 6390,123. Dit geeft de kooldioxide emissie in deeltjes per miljoen. Dit wordt op zijn Engels afgekort tot  ppm. De toename van het kooldioxide-gehalte in een bepaald jaar wordt bepaald door de Keeling curve. Je neemt het CO2-gehalte van een bepaald jaar en verminderd dit met het gehalte van het voorafgaande jaar. Dit zijn de dingen die voor ieder van de vier varianten het zelfde is. De verschillen worden per variant uitgelegd in de volgende paragrafen.

Variant met een constante gemiddelde ABF

De theorie van de airbornfraction ook wel ABF genaamd gaat er van uit dat ieder jaar maar een deel van de CO2-emissie daadwerkelijk in de atmosfeer blijft hangen. Dit deel is iets minder dan de helft. De rest van de emissie valt weer terug op de Aarde. Voor een groot deel in de oceaan. Deze wordt hierdoor zuurder en dit is op zich een weer een probleem. Het deel dat in de atmosfeer blijft hangen komt er niet of nauwelijks meer uit. Het blijft voor 1000en jaren hangen in de atmosfeer en draagt dan blijvend bij aan de opwarming van de Aarde. Zelfs als we de CO2-emissie terug zouden kunnen dringen naar nul is de opwarming en alle gevolgen die dit meebrengt onomkeerbaar. De ABF wordt berekend door de toename van het CO2-gehalte van een bepaald jaar te delen door de CO2-emissie van dit jaar. Over de hele periode bereken je vervolgens de gemiddelde waarde van de ABF uit. Deze waarde gebruik je om de ontwikkeling van het CO2-gehalte van de atmosfeer te reconstrueren uit het verbruik van fossiel brandstof. De gemiddelde waarde over de periode van 1958 tot en met 2014 is zoals uit figuur 5 blijkt gelijk aan 0,460. Dat is dus iets minder dan de helft van de CO2-emissie. Hieruit bereken je de jaarlijkse toename van het CO2-gehalte en dat tel je ieder jaar op bij de beginstand van 315 ppm voor het jaar 1958. De reconstructie wordt vergeleken met de werkelijke ontwikkeling van het CO2-gehalte volgens de Keeling curve. Het resultaat van deze reconstructie is weergegeven in figuur 6;

fig-6-co2-recon-abf-vast

Figuur 6 – Ontwikkeling van het CO2-gehalte bij een constante ABF

De groene driehoekjes geven de CO2-emissies aan. Zoals u kunt zien zijn die ieder jaar aanzienlijk hoger dan de toename van het CO2-gehalte volgens de Keeling curve. Deze toename is weergegeven door de blauwe driehoekjes. De bruine driehoekjes die enigszins verborgen liggen onder de regressielijnen geven de reconstructie aan volgens de variant met een constante namelijk de gemiddelde ABF. De rode vierkantjes geven aan in hoeverre de reconstructie overeenkomt. De reconstructie met een constante ABF onderschat de echte ontwikkeling van het CO2-gehalte voor ieder jaar. Dat is niet de bedoeling. In een ideale wereld schommelen de verschillen rond de nullijn. Dat is hier beslist niet het geval. Deze variant voor de reconstructie va het CO2-gehalte voldoet niet zo heel erg goed. Krijg je een beter resultaat als je er rekening mee houdt dat de ABF over de tijd trendmatig kleiner lijkt te worden zoals figuur 5 aangeeft? Hier over gaat de volgende paragraaf.

Variant met trendmatige afname ABF

Bij de variant met de trendmatige daling van de ABF wordt per jaar de ABF afgeleid uit de regressielijn voor de ABF zoals die in figuur 5 is weer gegeven. Met deze ABF wordt dan de toename van het CO2-gehalte volgens deze variant bepaald. Er wordt vervolgens gekeken hoe goed deze variant overeenkomt met de werkelijke toename. Dit resultaat is weergegeven in figuur 7;

fig-7-co2-recon-abf-trend

Figuur 7 – Ontwikkeling van het CO2-gehalte met trendmatige daling ABF

Alleen voor de periode van 1958 tot en met 1980 lijkt deze variant beter. In deze periode zijn de afwijkingen van de reconstructie met de werkelijke ontwikkelingen gelijk verdeeld over beide helften van de nullijn. Daarna zien we dat ook deze variant de ontwikkeling systematisch onderschat. Er is een verbetering maar die is uiteindelijk niet zo heel erg veel beter. Laten we nu kijken hoe de reconstructie er uit zien als we van een ander concept uit gaan namelijk de FA varianten.

Variant met een constante gemiddelde FA

Het FA concept gaat uit van een heel ander beeld van de ontwikkeling van het CO2-gehalte. Het gaat er vanuit dat de CO2-emissie en de CO2-uitval van een bepaald jaar niets met elkaar van doen hebben. De CO2-emissie wordt bepaald door het verbruik van fossiel brandstof in een bepaald jaar. De uitval van CO2 in dit jaar is een fractie van de hoeveelheid antropogeen CO2 in de atmosfeer. Dat is de hoeveelheid CO2 minus de hoeveelheid CO2 die aanwezig was voor het begin van de industriële revolutie. In figuur 1 hebben we aangegeven dat dit 275 ppm is. Je dient dus het CO2-gehalte van een bepaald jaar in vermindering te brengen met 275 ppm en je hebt het gehalte aan antropogeen CO2. Om de fractie van antropogeen CO2 (de FA) te bepalen deel je de uitval van CO2 door de hoeveelheid antropogeen CO2. De CO2-uitval is de CO2-emissie minus de toename van het CO2-gehalte van een bepaald jaar. Dit bepaal je voor ieder jaar van de periode die we onderzocht hebben. Deze periode loopt van 1958 tot en met 2014. Hier van neem je de gemiddelde waarde. En volgens figuur 5 is dit dus 0,024. Met behulp van deze waarde bereken je de ontwikkeling van het CO2-gehalte volgens deze variant. Het resultaat is weergegeven in figuur 8;

fig-8-co2-recon-fa-vast

Figuur 8 – Ontwikkeling van het CO2-gehalte bij een constante AF

Ook deze variant doet het niet veel beter dan de beide varianten volgens het concept van de airbornfraction. Dan blijft alleen de laatste variant over en dat is met de FA die trendmatig toeneemt over de tijd. Dit komt in de volgende paragraaf aan de orde.

Variant met trendmatige toename FA

De laatste van de vier varianten gaat er van uit dat de FA die de CO2-uitval bepaald niet constant is over de tijd maar trendmatig toeneemt. De mate waarop de FA toeneemt is weergegeven in figuur 5. Met behulp van de FA zoals die per jaar is vastgesteld gaan we de ontwikkeling van het CO2-gehalte reconstrueren en vergelijken met de werkelijke ontwikkeling zoals weergegeven wordt in de Keeling curve. Het resultaat hier van staat in onderstaand figuur;

fig-9-co2-recon-fa-trend

Figuur 9 – Ontwikkeling van het CO2-gehalte met trendmatige stijging AF

Zoals we aan de rode vierkantjes kunnen zien voldoet deze variant beter dan de drie voorafgaande varianten. De afwijkingen liggen aan beide kanten van de nullijn. Wel is er een schommeling te zien. Wat deze schommeling veroorzaakt weet ik niet. Dat is de enige tekortkoming in deze variant. De afwijking met de echte ontwikkeling zijn geen white noise. Er zit een duidelijk patroon in waarvan ik de oorzaak niet weet. Het is niet anders. Hier moeten we het mee doen. Deze schommeling komt overigens in alle vier varianten voor. Dit is dus geen reden om deze variant als minder goed te beschouwen. Het gaat er om dat we een bruikbare test hebben om te bepalen hoe goed een reconstructie overeen komt met de werkelijke ontwikkeling. Daar over gaat de volgende paragraaf.

Welke variant komt het beste overeen met de waarneming

We willen nu graag weten welke variant van de reconstructie van het CO2-gehalte het beste overeen komt met de werkelijke ontwikkeling. Men kan de vier varianten en de Keeling curve in een grafiek weergeven en hopen dat dit duidelijk maakt welke de beste variant is maar dat valt tegen. Om dit te bepalen dienen we toch echt over een gangbaar statistisch criterium te beschikken om dit vast te stellen. Het is gangbaar om hier voor de R kwadraat te nemen. Maar we zullen aan de hand van het volgende voorbeeld zien dat dit geen goed idee is. Laten we uitgaan van een basis lijn Y0=2x die een bepaalde ontwikkeling weergeeft.. Vervolgens maken we aan aantal reconstructies voor Y0. Deze noemen we Y1 tot en met Y7. Y1 = 250% van de waarde van Y0, Y2=200%, Y3=100%, Y4=50%, Y5=25%, Y6=10% en Y7=1% van de waarde van Y0. Alleen Y3 komt precies overeen met Y0. De overige reconstructies zijn of veel te hoog of veel te laag. Toch blijkt dat allen lijnen Y1 tot en met Y7 een R kwadraat van 1 hebben met Y0. Volgens deze toets zouden ze allemaal even goed zijn wat uiteraard niet het geval is. Immers alleen Y3 komt overeen met Y0. Je hebt dus een beter criterium nodig. Een zo’n criterium is de som van de residuen. Een residu is het verschil tussen een reconstructie voor een bepaald jaar en de waarneming. In een ideale wereld zijn de residuen mooi gelijk verdeeld rondom de nullijn en is de som van de residuen gelijk aan nul. Immers alle plussen en minnen vallen tegen elkaar weg. In de echte wereld is dit nooit precies gelijk. Het is dus een kwestie van vergelijken welke variant de kleinste som van de residuen heeft. Onderstaande tabel geeft deze vergelijking tussen de vier varianten voor de reconstructie van de ontwikkeling van het CO2-gehalte van de atmosfeer weer vergeleken met de echte ontwikkeling;

tab-1-varianten-recon

Tabel 1 – Vergelijking van de varianten met de werkelijke ontwikkeling

De a en de b geven de regressielijnen weer van de varianten en de toename van de Keeling curve. Het verschil ppm geeft het gemiddelde verschil weer tussen de reconstructie en de werkelijke ontwikkeling. De R kwadraat is inderdaad geen zinvol criterium gebleken. Blijft uiteindelijk over de som van de residuen. De variant met de trendmatige toename van de FA komt het best overeen en de variant met een vaste FA komt het minst goed overeen. De beide ABF varianten komen ergens in het midden terecht met de variant met de trendmatige vermindering van de ABF iets beter dan de variant met vaste ABF. Het loont de moeite om scenario’s te schrijven waarbij alle vier worden uitgetest om te zien wat de verschillen zullen zijn.

Conclusies

Het CO2-gehalte is sinds het begin van de industriële revolutie sterk gestegen. Deze stijging hangt samen met het toegenomen verbruik van fossiele brandstoffen als steenkool, aardgas en aardolie producten zoals benzine en diesel. Het is over de onderzochte periode heel goed mogelijk om de stijging van het CO2-gehalte te reconstrueren uit het verbruik van fossiele brandstof. Dit kan met behulp van simpele modellen. Er zijn vier varianten van dit model mogelijk. Men kan uitgaan van het concept airbornfraction en men kan uitgaan van het concept fractie antropogeen CO2. Van beide concepten bestaan weer twee varianten. Een met een vaste waarde van het concept zijnde de gemiddelde waarde over de onderzochte periode en de andere de trendmatige verandering. De variant met de trendmatige toename van de FA over de tijd geeft het beste resultaat zoals uit de som van de residuen blijkt. Het gebruik van de R kwadraat is geen geschikt criterium om te bepalen welke variant het beste is. Het loont de moeite om een scenario bijvoorbeeld business as usual toe te passen voor alle vier varianten en te zien wat de verschillen zijn. Er is ook hier volop mogelijkheid om verder onderzoek te verrichten maar dat zou dit verhaal te uitgebreid maken. Dit verhaal gaat over de vraag wat de stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer heeft veroorzaakt en het antwoord is duidelijk. Het toenemend verbruik van fossiele brandstof. Wil men de stijging van het CO2-gehalte tot staan brengen dan is er een flinke reductie nodig in de emissies en dit bereik je door een drastische reductie in het verbruik van fossiele brandstof en dit bereik je door meer hernieuwbare energiebronnen toe te passen. Zo moeilijk is het verhaal nu ook weer niet. Het volgende deel van deze serie gaat over de samenhang tussen antropogeen CO2 en de temperatuur stijging.

Literatuurlijst

De opwarming van de Aarde

De serie Antropogeen CO2

Wikipedia – Stoommachine

The Keeling curve

Our World in Data; CO2 and greenhouse gas emissions

National Weather Service – Climate Prediction Center – ONI ENS

Over Raymond Horstman

Onderzoeker, analist, schrijver. Havo B-pakket, HBO analytische chemie en propedeuse Bestuurskunde aan de Universiteit van Twente. Een brede belangstelling in algemene zaken en een bijzondere interesse in klimaatstudies. Mijn woonplaats wordt door een bekend schrijver die er gewoond heeft omschreven als het "onliefelijk stadje E.". Een bekend dichter had het over het einde van de spoorlijn. Het is een fijne stad om in te wonen. Kort samengevat: E. heeft het!
Dit bericht werd geplaatst in artikel en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Deel 2 – De toename van CO2

  1. Pingback: Deel 3 – Het verband tussen CO2 en de opwarming van de Aarde | Raymond FANTASTische Horstman

  2. Pingback: Deel 4b – De opwarming van de Aarde verklaard | Raymond FANTASTische Horstman

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.